De Foxterriër: Rasstandaard

Hieronder volgt de officiële beschrijving van de rasstandaard volgens de FCI.

Download
Foxterriër Whire FCI Breed Standard (EN)
Fox Terriër Draadhaar FCI Standaard EN.p
Adobe Acrobat document 442.2 KB
Download
Foxterriër Smooth FCI Breed Standard (EN)
Fox Terriër Gladhaar FCI Standaard (EN).
Adobe Acrobat document 443.1 KB

FCI-Standaard N° 169/26-03-2009

Oorsprong: Groot Brittannië

Datum van publicatie van de Foxterriër draadhaar rasstandaard: 13-05-1955

Gebruik: Aardhond (jachthond)

FCI classificatie: Groep 3, Sectie 1 : Grote en middelgrote Terriërs.

Onderworpen aan een werkproef alleen voor de landen die dit hebben aangevraagd.

Hoofd en schedel

Het schedeldak moet bijna vlak zijn, licht hellen en geleidelijk versmallen naar de ogen. In een goed harmonieus hoofd moet er weinig verschil in lengte zijn tussen schedel en voorsnuit. Wanneer de voorsnuit echter aanmerkelijk korter is, duidt dit op een fout, want het hoofd lijkt zwak en niet af (unfinished).

 

Hoewel de voorsnuit geleidelijk van het oog naar de neus moet versmallen en iets moet invallen bij de overgang van de voorsnuit naar de schedel, mag deze geen schotelvormige indruk maken, noch invallen onder de ogen, waar een mooie opvulling, die fijn besneden moet zijn, hoekigheid moet voorkomen, terwijl goed ontwikkelde kaakbeenderen, bezet met sterke witte tanden, de gewenste indruk aan de voorsnuit moeten geven.

 

Een buitensporige ontwikkeling van kaakbeenderen of spieren is onnodig en minder aangenaam om te zien, daar deze verantwoordelijk zijn voor een ronde wangcontour, aangegeven met de naam 'cheeky' (bakken).

De neus moet zwart zijn.

 

Ogen

Moeten donker van kleur en zijn, tamelijk klein en niet uitpuilen, vol vuur, leven en schranderheid, zoveel mogelijk cirkelvormig en niet te ver uit elkaar liggen. Alles wat naar een geel oog zweemt is zeer verwerpelijk.

 

Oren

Moeten klein zijn, in de vorm van een V en matig dik, de lellen goed gevouwen en voorwaarts, dicht langs de wangen vallen. De bovenste lijn van het gevouwen oor moet goed boven het schedeldak uitkomen. Een hangend oor dat dood langs het hoofd hangt als dat van een drijfhond, behoort niet bij de Terriër, terwijl een halfstaand oor nog minder gewenst is.

 

Gebit

Zowel de boven- als de onderkaak moet sterk en gespierd zijn, de tanden zoveel mogelijk als een bankschroef tegen elkaar sluitend. De onderste hoektanden staan bij het dichtklappen voor de bovenste en de punten van de boven snijtanden staan even voor die van de onder snijtanden.

 

Hals

Moet droog en gespierd, behoorlijk lang en vrij van keelhuid zijn en van terzijde gezien een sierlijke bocht maken.

 

Schouders

Van voren gezien moeten zij vlak omlaag hellen van hun verbinding naar de boegpunten, zonder overdreven bolle spierontwikkeling. Van de zijde gezien moeten zij lang zijn, goed naar achteren liggen en schuin naar achteren oplopen van de boegpunten tot de schoft, die altijd scherp uitkomt. Een goed naar achteren liggende schouder geeft de lange voorhand, die, verenigd met een korte rug, zo gewenst is bij Terriër of Jachtpaard.

 

Lichaam

De rug moet kort en vlak zijn, zonder schijn van slapte - de lendenen gespierd en zeer licht gewelfd. De borstkas moet diep zijn, de voorste ribben matig gewelfd en de andere diep en goed gewelfd. Het woord slapte is zowel bedoeld voor het deel van de rug dadelijk na de schoft, wanneer hij enige neiging tot inzinking toont, als voor de zijden, wanneer er te veel ruimte tussen de achterste ribben en het bekken is. Wanneer er weinig ruimte is tussen ribben en heupen heet de hond short in couplings, short coupled of well ribbed up. Een Terrier kan moeilijk te kort van rug zijn, zolang zijn hals voldoende lang en de romp voldoende lenig is. De teef mag iets meer ruimte tussen ribben en bekken hebben dan de reuen.

 

Achterhand

Moet sterk en gespierd zijn, geheel vrij van inzakken of zwakte; de dijen lang en krachtig; de knieën goed gebogen en noch naar binnen, noch naar buiten staand; de sprongen goed gebogen en laag bij de grond; de hielen zuiver recht en van achteren gezien evenwijdig aan elkaar. De slechtste mogelijke vorm van achterhand bestaat uit een korte schenkel en een steile knie, een vereniging die maakt dat de achterbenen meer tot steun dienen dan tot voortstuwing.

 

Staart

Hoog aangezet en vrolijk gedragen, maar niet over de rug gekruld. Hij moet goed sterk en stevig en van behoorlijke lengte.

 

Benen

Moeten, van welke kant ook bezien, recht zijn, het gebeente van de voorbenen moet tot de voet toe sterk zijn. De ellebogen moeten in loodrechte stand aan de romp aansluiten en vrij van de zijden bewegen, aan de romp aansluiten en vrij van de zijden bewegen, zowel voor- als achterbenen moeten bij het lopen recht naar voren worden gebracht.

 

Voeten

Moeten rond, gesloten en niet groot zijn - de zolen hard en met goede eeltkussen en de tenen matig gebogen en noch naar buiten, noch naar buiten gericht. Een Terriër met goed gevormde voorbenen en voeten slijt zijn nagels tot kort af doordat zij het wegdek raken, daar het lichaamsgewicht gelijkelijk over de zolen is verdeeld.

Beharing

Het voornaamste verschil tussen die van de glad- en draadhaarvariëteit is dat, terwijl de eerste recht en vlak is, de laatste er ruw uitziet - daar de haren de neiging hebben te golven. De beste vachten bestaan uit een dichte, ijzerdraadachtige beharing - zoals kokosmatten - de haren groeien zo dicht bij elkaar dat, wanneer men ze met de vingers scheidt, de huid niet zichtbaar wordt. Aan de voet van deze stijve haren groeit korter, fijner en zachter haar - onderhaar genoemd. Het haar op de flanken is nooit zo hard als dat op de rug en achterhand. Sommige van de hardste beharingen zijn crinkly of licht gegolfd, maar krullend haar is zeer verwerpelijk. Het haar op de boven- en onderkaak moet enigszins hard aanvoelen en slechts lang genoeg zijn om de snuit een krachtige indruk te laten maken en hem kenmerkend van de gladharige variëteit te onderscheiden. Het haar op de voorbenen moet eveneens dicht en enigszins hard zijn. De lente van de vacht moet gemiddeld van 1,9-2,5 cm zijn op de schouder en hals, tot 3,8 cm op de schoft, rug, ribben en achterhand. Deze maten worden meer als een aanwijzing aan de tentoonstellers gegeven, dan als een onaantastbaar voorschrift, daar de lengte van het haar wisselt bij verschillende individuen en in de jaargetijden. De keurmeester moet zelf beoordelen wat een 'voldoende' beharing is.

 

Kleur

Wit moet overheersen; gestroomde, rood, leverkleurig of leiblauw is verwerpelijk. Overigens is kleur van weinig of geen belang.

 

Aard

De Terriër moet levendig zijn, snel in zijn bewegingen, doordringend van uitdrukking, altijd vol verwachting; al is het maar voor het kleinste grapje. In de uitdrukking van de dracht van oren en staart toont zich de aard.

 

Grootte

Een stevig geraamte en kracht in een klein bestek, maar men moet hier niet uit opmaken dat een Foxterriër plomp of in enig opzicht grof zou moeten zijn - snelheid en uithoudingsvermogen zijn van evenveel belang als kracht. De Terriër mag in geen geval hoog op de benen zijn, maar evenmin te laag. Hij moet als een juist gebouwd jachtpaard staan en ondanks een korte rug met één galopsprong veel grond beslaan. Volgens de hedendaagse vereisten mag een normale, goed evenredig gebouwde reu niet hoger zijn dan 39 cm schofthoogte - de teef in verhouding lager - noch mag de lengte van de rug van de schoft tot de aanzet van de staart meer dan 30,5 cm bedragen en om door te gaan met de verhoudingen, het hoofd - als boven gezegd - mag niet langer zijn dan 18,4 cm of korter dan 17,8 cm zijn. Een reu van deze afmetingen moet gereed voor de tentoonstelling 8 kg wegen - een teef zowat 0,9 kg minder - met een doorslag van ruim 0,45 kg naar boven of naar beneden.

Verschillen in verhoudingen ruglengte : hoogte bij de Parson Russel Terriër, Jack Russel Terriër en de Fox Terriër.
Verschillen in verhoudingen ruglengte : hoogte bij de Parson Russel Terriër, Jack Russel Terriër en de Fox Terriër.

Gang

Gang of lopen is de beslissende proef op de bouw. De Terriër moet zijn benen recht vooruit brengen bij het lopen, door voorbenen moeten hierbij loodrecht neerhangen en evenwijdig aan de flanken zwaaien als de slinger van een uurwerk. De voortstuwende kracht komt voornamelijk uit de achterbenen, de volmaakte gang wordt bereikt doordat de Terriër over lange dijen en gespierde schenkels beschikt, goed in de knie gebogen, die een sterke afzet of stoot van de spronggewrichten in voorwaartse richting mogelijk maken. Wanneer de hond op ons toeloopt, moeten de voorbenen een voortzetting vormen van het rechte front, de voeten op dezelfde afstand als de ellebogen. Staat hij, dan is het vaak moeilijk uit te maken of een hond iets los in de schouder is, maar zodra hij loopt, treedt de fout - zo deze bestaat - voor de dag, daar de voorbenen dan een neiging hebben elkaar te kruisen, weave of dish.

Wanneer daarentegen de hond te stijve schouders heeft, vertonen de voeten de neiging verder uit elkaar te raken, met een soort roeibeweging. Wanneer de sprongen naar binnen draaien - koehakken - draaien de knieën en voeten naar buiten, wat een ernstig verlies van de voortstuwende kracht tot gevolg heeft. Staan de sprongen naar buiten, dan heeft hij de neiging de achtervoeten te kruisen, wat een lompe waggelgang tot gevolg heeft.

 

Opmerking

 

De reuen moeten twee normaal ontwikkelde, volledig in het scrotum ingedaalde testikels hebben.